Steur in de Hunze

Door: Harry Perton

Vlak voor de afsluiting van het Reitdiep of de Hunze (1876) werden er meermalen grote steuren gevangen. Een inventarisatie en analyse van zulke meldingen over de voorwereldlijke en legendarische vis. 1

‘Zaterdag ll. ontdekten eenige rijswerkers, werkzaam zijnde aan de beschoeiingen bij de Hunze onder Garnwerd, met bijna laag water een steur, wegende naar gissing tweehonderd à twee honderd vijftig halve ned. ponden. Dit zeemonster kwam zoo digt bij den wal, dat een hunner, H. de Vries van Garnwerd, bij gebrek aan andere wapens, met een zoogenaamde heksebijl hem vier slagen toebragt, welke laatste zoo goed werd aangebragt, dat de bijl bleef vastzitten, waarop De Vries door den steur in het water werd medegesleept. Hij moest echter tot zijn spijt het monster laten glippen, aangezien deze zich naar de diepte wendde en verdween.’

Aldus een bericht uit Garnwerd in de Provinciale Groninger Courant van 20 juli 1865. De krant achtte het niet onwaarschijnlijk dat de vis alsnog zou doodgaan en gaf voor dat geval alvast de wens van De Vries aan de eventuele vinder door, om het dier nog eens te mogen zien. Getuige de stedelijke Groninger Courant kon die wens een dag later al worden vervuld. De steur lag bij laag water stroomopwaarts in de buurt van het Blauwborgje, ‘reeds in staat van ontbinding verkeerende’. Bij meting bleek het dier 2,8 meter lang en 1,4 meter dik. Ook was het gewicht twee maal zo groot als eerst geschat, namelijk 240 kilo. 2

Dat lijkt groot, maar de praktisch uitgestorven Atlantische steur waarvan hier waarschijnlijk sprake was, kon nog veel groter en zwaarder worden, wel zo’n zes meter bij 400 kilo. In dat geval kon hij ook wel honderd jaar oud zijn. Spreken zulke cijfers tot de verbeelding, dat deed zijn voorwereldlijke uiterlijk evenzeer. Met zijn puntige snuit en zijn vier baarddraden snorde hij wormen, slakjes en kleine visjes op, die hij door een uitstulpbare, tandeloze zuigmond aan de onderkant van zijn kop naar binnen werkte. Over zijn hele lijf had hij, in plaats van schubben, een bepantsering van beenplaten. Zijn staart leek op die van een haai. Het was een trekvis, vanuit zee trok hij langzaam de rivier op om te paaien, om na gedane zaken weer naar zee terug te keren. 3

Uit: G.A. Strating en G.A. Venema, De Dollard (1855).

Iets komt in de krant omdat het afwijkt van het gangbare. Zo’n grote steur was inderdaad bijzonder. 4 En toch was het geen unicum, blijkt later. Want op 24 juni 1873 meldde de Groninger Courant dat zich in het Reitdiep bij Schilligeham, ten oosten van Aduarderzijl, sinds enige dagen ’al spelende’ een steur ophield, die minstens even zwaar was als die van 1865. De krant vroeg zich af of het dier niet met aas te vangen zou zijn, en zo ja, welk aas men dan moest gebruiken. Desondanks werd deze steur niet gepakt.

Dat gold wèl voor drie steuren die in 1874 in het stadsgedeelte van het Reitdiep zwommen. De eerste, met een gewicht van 15 kilo, was medio juni voor de “visscherman” Jager. Hij ving deze steur met een totebel, dat is een op de bodem gelegd kruis­net dat je met een hefboom omhoog moest halen.

De visser rechts in het bootje hanteert een totebel. Aquarel van Adriaen van der Venne, ca. 1620. British Museum.
De visser rechts in het bootje hanteert een totebel. Aquarel van Adriaen van der Venne, ca. 1620. British Museum.

Volgens de Provinciale Groninger Courant woog deze steur zelfs dubbel zoveel en mat hij ruim twee meter: ’De gelukkige vangers hebben er, naar wij vernemen, veel geld voor gemaakt’. De tweede, 18,5 à 30 kilo, vernielde in de nacht van 9 op 10 juli de totebel van de visser J. Poelman. Toen de ontsnapte vis even later opnieuw langskwam, sloeg Poelman toe met zijn harpoen. Door er een strop omheen te leggen lukte het hem de steur aan wal te krijgen. Dezelfde visser, wonend in de Sledemennerstraat, ving ook de derde steur, zwaar 18,5 kilo. 5

Waren deze stad-Groninger exemplaren wel wat minder spectaculair dan die van Garnwerd en Schilligeham, nog eenmaal zou zich een echt dikke steur aandienen. Dat was eind juli 1875.

‘Weder houdt zich op onze rivier de Hunze zware zeevisch op’, aldus de Garnwerder correspondent in de Groninger Courant: ’Loopt men van hier naar Groningen, dan treft men soms al spelende een paar dikke bruinvisschen aan. Wat dezen ver overtreft is een zware steur naar gissing pl.m. 100 tot 125 kilo zwaar. Deze is door onderscheidene personen gezien tusschen de Wierumer Schouw en Dorkwerd. Gewis zijn de netten der hier visschende visschers voor zoo veel zwaarte en kracht niet berekend, men vraagt daarom: zijn deze dieren zonder net te vangen, hoe en waarmede?’ 6

Kortom, in de periode voor de afsluiting van het Reitdiep (1876) waren er meerdere berichten over steuren in de Groninger diepen. Wat aan die berichten opvalt, is dat ze allemaal in de zomer in de krant stonden. Dat heeft uiteraard een reden, deze steuren waren bezig met de paaitrek, die bij de IJssel en de Merwede ook altijd van begin mei tot eind juli plaatsvond, waarna ze weer naar zee terugkeerden. Getuige de genoteerde gewichten ging het ook steeds om volwassen exemplaren. Bij steuren zijn de mannelijke exemplaren vanaf hun zevende tot negende jaar geslachtsrijp, bij de vrouwelijke is dat een of twee jaar later later, en steuren zijn dan hooguit 150 centimeter lang en 15 kilo zwaar 7 Alle Hunze-exemplaren zaten (ruim) boven dat gewicht. Ze waren geslachtsrijp en wilden paaien. Of ze dat hier ook konden, is een vraag die zich hier niet laat beantwoorden.

Zelden op het menu

Wel zijn er bewijzen voor het al langer voorkomen van de steur in Hunze en Reitdiep. Hieronder behandel ik eerst de archeologische bewijzen, om die te vergelijken met dito gegevens uit oost en west. Hetzelfde doe ik daarna met schriftelijk overgeleverde bronnen. Door beide exercities laat zich het het relatieve belang van de steurenpopulatie in de Hunze bepalen.

Stadsarcheoloog Gert Kortekaas is bij zijn vele opgravingen in de gemeente Groningen nooit resten van steur tegengekomen. In het wierdenland echter, waar de Hunze doorheen stroomt, zijn verschillende keren steurplaatjes gevonden. De bekendste zijn de drie welke Van Giffen aantrof in een wierde bij Oosterwijtwerd. Alle drie hoorden bij een en dezelfde steur, die ongeveer 2 à 2,5 meter lang moet zijn geweest. Daarnaast noemt de in vissen gespecialiseerde archeoloog Dick Brinkhuizen nog steurrestanten uit de wierden van Westeremden, Toornwerd en Wadwerd, helaas allemaal ongedateerd. Volgens Brinkhuizen waren de wierdebewoners zeker geen grote viseters, en afgaand op de weinige aangetroffen steurplaatjes stond steur uiterst zelden op hun menu. 8

Oosterwijtwerd, Westeremden en Toornwerd bevonden zich bij de Fivel en daarmee dichter bij de Eems dan bij de Hunze. Op basis daarvan zou je kunnen vermoeden dat er in het wierdengebied bij de Eems en noordelijker meer vis en steur werd gegeten. Maar dat is niet zo, aldus Brinkhuizen, het menu verschilde er niet principieel. Ook daar was visconsumptie tussen 600 voor en 700 na Christus van ondergeschikt belang. Wel valt op dat er uit de vroege vlaknederzetting Jemgum bij de Eems vele steurplaten tevoorschijn kwamen, terwijl in de laat-middeleeuwse wierde Elisenhof aan de Eider maar liefst een kwart van de 449 determineerbare visresten afkomstig was van steuren. Op deze plaatsen was de steur dan toch een van de belangrijkere vissen. 9

H.E Sauvage – La Grande Pèche (Les Poissons) 1883.
H.E Sauvage – La Grande Pèche (Les Poissons) 1883.

Daarmee maken de steurvondsten bij de oosterburen wat meer indruk dan die uit ons Groninger wierdengebied. Nog indrukwekkender, zowel qua ouderdom als hoeveelheid, zijn echter die uit het mondingsgebied van de grootste rivieren in Nederland. Zo troffen archeologen in Voorschoten duizenden steurfragmenten aan op een lokatie, waar zich in de late steentijd een kreekoever bevond. Zeker dertig volwassen steuren waren hier geslacht. Er werden geen haken of harpoenen aangetroffen en waarschijnlijk viste men door bij eb een palenscherm dwars door de kreek te zetten. Een dergelijke weervisserij bestond tweeduizend jaar later ook in het wierdengebied. Maar in het neolithische Voorschoten lagen de de steuren nog voor het oprapen, steur was daar nog een van de voornaamste voedselbronnen. 10

In en rond de oudste, uit de eerste eeuw van onze jaartelling daterende Romeinse haven van Velzen, zijn de resten van drie steuren gevonden, wat vergeleken bij de 647 baar­zen, 409 snoeken en 355 karpers erg laag is. 11 Mogelijk was er al een voortdurende afname van steuren, door de bijzonder gemakkelijke manier waarop je steuren kon vangen. Zo’n ontwikkeling zou er dan ook in het wierdengebied moeten zijn geweest, sinds de mens daar zijn intrede deed. Hoe het ook zij, naast zo’n afname tekent zich een geografisch verschil af. In de prehistorie waren steuren al het meest bij de grote rivieren te vinden. Hoe kleiner de rivier, hoe minder steur er in de buurt werd gegeten. De Hunze stelde in de prehistorie qua steur al weinig voor vergeleken bij rivieren in het oosten en – vooral – het westen.

Vollenhovenaren

Schriftelijke bronnen bevestigen dat beeld ook voor de historische tijd. Ik behandel eerst weer het gebied van Hunze, om vervolgens de blik op het oosten en westen te richten.

RHC Groninger Archieven Toegang 1534 (Volle Gericht) inv. nr. 8 rechtdag 23 januari 1565.
RHC Groninger Archieven Toegang 1534 (Volle Gericht) inv. nr. 8 rechtdag 23 januari 1565.

Begin 1565 gunde het Groninger stadsbestuur aan twee mannen uit de steurvissersplaats Vollenhove – straks meer hierover – ’alhijr binnen de stadt gerechticheiden den stoervangst’. Kennelijk bood die vangst perspectieven voor mensen die er wat van af konden weten. Onder de gerechtigheden moeten we waarschijnlijk ook de stadsjurisdicties Gorecht en Oldambt verstaan. Maar de Vollenhovenaren moesten de steur die ze vingen wel in de stad ter markt brengen. Op de dag dat ze hun octrooi toegezegd kregen, vroegen ze of ze ook de zeehonden, bruinvissen en zalm mochten houden, ’so ongeveerlick in de steurnetten mochten lopen’. Zulke bijvangsten waren blijkbaar interessant. De Vollenhovenaren kregen het privilege, zonder dat er sprake was van een verplicht octrooigeld als tegenprestatie. Kennelijk was het verwachte rendement niet zo groot. 12

Gevelsteen Delfshaven – Uit M.J. van Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens deel II 1868. Iets dergelijks hing in de stad Groningen op de hoek van het Damsterdiep zz. en de straat naar Kleinpoortje.
Gevelsteen Delfshaven – Uit M.J. van Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens deel II 1868. Iets dergelijks hing in de stad Groningen op de hoek van het Damsterdiep zz. en de straat naar Kleinpoortje.

In augustus 1626 was er een conflict over een steur die naar de stad Groningen was gebracht. Het stadsbestuur verordonneerde dat de vis verkocht zou worden en nam de opbrengst in beslag, tot er uitgemaakt zou zijn wie er recht op had. 13

Dat beide spilsluizen, aangelegd in 1674, in elk geval geen volledige belemmering voor steurpassage vormden, bleek in 1771, toen hoogleraar geneeskunde Van Doeveren stilstond bij de vis in de stadsdiepen. ’Steuren komen hier ook somtyds voor’ zei hij, ’en het is niet te verwonderen dat men er weleer een op ’t Zuidlaarder Meer gevangen heeft’. 14 Niet alleen weleer, want begin november 1777 werd er op Hunze bij Spijkerboor, zeven kilometer ten zuiden van het Zuidlaardermeer, een steur gevangen van – omgerekend – bijna 2,5 meter lang en 124 kilo zwaar. 15

Een en ander sluit naadloos bij een bevinding die Van Lier even later neerlegde in de Tegenwoordigde Staat van Drenthe. ‘In de Riviertjes’, schreef deze beroepsbestuurder en amateurgeleerde, ’wordt somwijlen Zalm, ook wel eens Steur gevangen’. Van Lier woonde vanaf 1750 in Zuidlaren, vanaf 1751 in Anlo en van 1758 tot 1785 in Assen, bovendien participeerde hij in de Annerveense veencompagnie, zodat hij vooral de Hunze, maar toch ook de Drentse A op het oog moet hebben gehad. 16 Beide riviertjes komen uit in het Reitdiep. In een zijtak van de Drentse A, het Loonerdiepje, werd begin juni 1857 nog een steur van 1,65 meter en 40 kilo gevangen. Die had vanaf Zoutkamp een mooie reis achter de rug en leek nogal mager. 17

De conclusie mag zijn dat de steur in 1565 nog zoveel voorkwam in de Hunze en annexe wateren, dat een speciale bevissing lonend leek. Ruim twee eeuwen later kwam de steur er ’somtyds’ (Van Doeveren) of ’somwijlen’ (Van Lier) voor. Er lijkt dus sprake van een achteruitgang. .

Eems, Elbe, IJssel en Merwede

Voor het stroomgebied van de Hunze is ons geen steurlegende overgeleverd. Zo’n legende bestaat er wel voor de Eems en gaat over de heilige Liudger, van afkomst een Fries, die omstreeks 800 Friese en Saksische contreien tot het Christendom bekeerde. Hij trok hier op zijn paard al predikend rond, kwam in het najaar eens in Hleri (Leer) en vroeg de vissers die hem daar gewoonlijk van dienst waren, om een steur. Zij voelden zich bezwaard omdat het steurseizoen allang voorbij was, maar hij bleef aandringen en daarom gingen ze toch maar voor hem op pad. En juist toen ze hun netten in de rivier gooiden, viel er iets uit de lucht. Het bleek een grote steur, die ze Liudger bezorgden. De natuurlijke oorzaak van de wonderbaarlijke steurval zou een waterhoos geweest kunnen zijn. Mogelijk had Liudger als abt van Werden of bisschop van Münster recht op een steurmaal. In de middeleeuwen was steur typische herenkost. 18

In de dertiende eeuw betwistten kloosters elkaar het recht op steurvangst in de Eems. 19 Mogelijk was er al niet genoeg meer voor iedereen. In 1735 bestond er nog een privilege op steurvissen in het Oost-Friese deel van deze rivier, met een alleenrecht loonde het dus nog wel. Medio negentiende eeuw werden op de Dollard ’nog al nu en dan’ zeer kleine steuren gevangen, en ’dikwijls’ grote van 100 à 250 kilo, die bij eb te lang in kreken bleven liggen Volgens Kirchhoff werden op het Duitse deel van de Eems rond 1850 nog 200 steuren per jaar gevangen, rond 1900 waren het er minder dan 100, in 1920 nog 4 en sinds 1935 geen enkele meer. Een laatste steurwaarneming werd in 1969 bij Leer gedaan. Vergeleken bij de Eems zaten er in de veel grotere rivier de Elbe, met haar zijrivier de Stör, veel meer steuren. Daar werden er in 1850 zo’n 7000 gevangen, tegen 1275 in 1900 en geen enkele meer na 1935. 20

Termunterzijl, steur (1929) – collectie J.A. Bakker. Delfzijl.
Termunterzijl, steur (1929) – collectie J.A. Bakker. Delfzijl.

Sowieso maken de hoeveelheden steuren bij de oosterburen meer indruk dan die in het stroomgebied van de Hunze. Dat doen ook de cijfers voor de mondingen van de grote Nederlandse rivieren IJssel en Merwede.

Net als bij de Eems is de steur legendarisch bij de IJssel. Er zijn meerdere legenden zelfs. Bekend is dat van de Kampenaren die een steur de bel aanbonden, zodat ze hem terug konden vinden (niet dus). In Zutphen zou een steur door een waterhoos op het dak van de Walburgkerk gedeponeerd zijn. Net als bij de Eems werden bij de IJsselmond al in de dertiende eeuw steurvisrechten vastgelegd. Aanvankelijk profiteerde Kampen, later kwam Vollenhove op en omstreeks 1460 spraken zij een verdeling af. Intussen ontstond de Hollandse kuilvisserij. Met hun vloot waterschepen vingen de Hollanders alle jonge steur weg, iets waartegen de Vollenhovenaren in 1571 protesteerden. Ze haalden jaarlijks nog maar 30 à 50 volwassen steuren binnen, zeiden ze, tegen voorheen 250. In elk geval was het omstreeks 1800 gedaan met de Vollenhover steurvisserij. Nadien kwam er nog slechts sporadisch een dikke steur in de IJssel voor. 21

Universiteitsmuseum Navarra.
Universiteitsmuseum Navarra.

Dordrecht en Geertruidenberg waren de met Kampen en Vollenhove vergelijkbare steursteden bij Merwede, Biesbosch en Steurgat. Over Geertruidenberg is er weer een legende. Op het eind van zestienzoveel zouden daar maar liefst 8999 steuren zijn binnengehaald. De lokale garnizoenscommandant loofde een flinke geldsom uit voor de 9000-ste dat jaar, maar die kwam er niet, hoewel iedereen op Oudejaars­dag naar steuren zocht. Het cijfer lijkt ook visserslatijn. In 1619 kwamen er maar 200 steuren op de afslag van Geertruidenberg, medio achttiende eeuw waren dat er gemiddeld 470. De vangst nam hier dus toe. Ten noorden van de Biesbosch werden in 1610, op de vismarkt van Dordrecht, 81 steuren aangevoerd. In 1626 waren het er 214, wat de trend lijkt te bevestigen. Eind negentiende eeuw zette het verval definitief in. In de jaren 1890 kwamen eerst per jaar nog rond de 500 steuren op de Hardinxveldse visafslag, vlak voor de eerste wereldoorlog waren dat nog maar enkele tientallen en daarna geen handvol meer. De allerlaatste grote steurvangst was hier in 1952. 22

Conclusie

De aantallen steuren in de Hunze vielen in het niet bij die in de grotere rivieren Eems, Elbe, IJssel en Merwede. Typerend is dat bij elke grote rivier een steurlegende hoort, terwijl die bij de Hunze ontbreekt. Anders dan op die grotere rivieren was hier ook maar heel kort sprake van professionele steurvisserij. Het ging om een onderneming van Vollenhovenaren die waarschijnlijk vanwege de Hollandse concurrentie waren uitgeweken.

Bovendien zijn er met uitzondering van de Merwede voor elke rivier tekenen dat de steurstand er tussen 1250 en 1950 voortdurend afnam. De Hunze deelde na 1565 waarschijnlijk in deze trend. Als dat ook voordien zo was, dan moet de steur er in de prehistorische periode veel meer voorgekomen zijn, dan archeologische vondsten doen vermoeden.

Omstreeks 1770, 1780 kwam de steur nog soms in de Hunze voor. In de decennia voor de krantenberichten van 1865 – 1875 was dat niet meer het geval, want anders zijn die krantenberichten, die ook wel over vrij lichte volwassen steuren gingen, moeilijk te verklaren. Deze berichten duiden dan op een laatste opleving.

Harry Perton

Geen blog missen? Word Vriend van de Blije Vis en sluit je aan bij de school!

 

« Alle blogartikelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *